Spuitgieten
Onderdelen
De matrijs bestaat uit twee hoofddelen; een inspuitzijde en een sluitzijde, die
samen één of meer vormholten omsluiten (zie figuur).
De vormholte wordt
gevuld via de aanspuitkanalen en aanspuitingen. De aanspuitkegel en dikwijls ook
een deel van de vormholte en aanspuitkanalen zijn in het vaste matrijsdeel, de
inspuitzijde, uitgespaard; de overige delen hiervan bevinden zich in het
bewegende matrijsdeel, de sluitzijde of uitstootzijde.
Beide matrijsdelen
zijn voorzien van koelkanalen via welke de warmteafvoer door middel van een
koelvloeistof (water) plaatsvindt.
Met afstandsstukken is in de sluitzijde
een ruimte gecreëerd voor het uitstootmechanisme, de zgn. uitstootplaten, waarin
de uitstoters zijn gemonteerd.
Deze ruimte dient zo hoog te zijn uitgevoerd
dat de uitstoters de voor het product benodigde slag kunnen maken.
Voor een
goede centrering van de beide matrijshelften zijn enige leipennen aangebracht
(2-4 stuks), eventueel in combinatie met leibussen. Om de matrijsdelen altijd in
de juiste stand ten opzichte van elkaar te krijgen, wordt een afwijkende
diameter uitgevoerd of wordt een asymmetrische stand van de leipennen gekozen.
De leipennen worden bij voorkeur in de spuitzijde van de matrijs geplaatst, opdat zij bij het uitstoten van het product of de producten een vrije val niet belemmeren. Met behulp van de centrering in de spuitzijde wordt de matrijs in de juiste stand ten opzichte van de spuitgietmachine gebracht.

Maximaal te spuitgieten oppervlak.
Het maximaal te
spuitgieten oppervlak is het totale geprojecteerde oppervlak van de te
spuitgieten producten en de eventuele aanspuitkanalen (bij meervoudige
matrijzen). Deze factor is afhankelijk van de sluitkracht, injectiedruk en
injectiesnelheid. De optredende injectiedruk is afhankelijk van de vloeiweg van
het polymeer en de wanddikte van het product. De optredende drukken kunnen
oplopen tot wel 2000 MPa of meer.